Thaise bergstammen
De
bergvolkeren in het noorden van Thailand zijn zeer bijzonder. In de loop
der eeuwen (maar vooral gedurende de laatste 100 - 200 jaar) zijn ze vanuit
China, Tibet en Myanmar naar Thailand gekomen. Sinds 1976 is het beleid
van de Thaise overheid erop gericht hen in de Thaise maatschappij te integreren
en hen eventueel het Thais staatsburgerschap te verstrekken. Tijdens een
trektocht door het gebied rond de plaatsen Chiang Mai en Chiang Rai kunt
u verschillende van deze bergvolkeren ontmoeten. Deze pagina's zijn niet
uitvoerig of volledig. Ze vormen slechts een voorportaal of opzetje voor
wie nieuwsgierig is naar het wel en wee van deze volkeren.
Er zijn zeven grotere stammen: de Lahu,
Yao, Karen
, Hmong (Meo),
Lisu, Akha
en de Lawa. Elk
volk heeft zijn unieke identiteit, cultuur, religie, taal, kunst en klederdracht.
Gemeen hebben ze dat ze alle in het hoogland wonen en hun hoofdbestaan
in de landbouw vinden. Alle stammen zijn gastvrij en ontvangen graag bezoekers
in hun dorpen, niet alleen om hen te laten kennismaken met hun levenswijze,
maar vooral om hun karige inkomen aan te vullen.
Naast de 7 grote stammen, leven ook enkele kleine tot zeer kleine bergstammen
in Noord-Thailand, zoals de Khamu,
Mlabri, Thins
en Palong.
De bekende Padaung ('Long Necks') zijn een sub-stam van de Karen.
Zij zijn bekend vanwege het dragen van koperen ringen rond de nek. Tegenwoordig
dwingen ouders hun kinderen weer deze ringen te dragen. Dat is niet alleen
om de traditie in ere te houden maar vooral om de inkomsten uit het toerisme
veilig te stellen.
Ruim 20 kilometer van de Noord-Thaise stad Chiang Rai, in Ban Jalae, bevindt zich een opmerkelijk museum. Het draagt de naam Hilltribe Life and Culture Centre en is opgezet door leden van Akha, Lahu, Karen en Mien bergvolken om te proberen een deel van hun cultuur voor het nageslacht te bewaren. De voortschrijdende modernisering eist haar tol in de gemeenschappen van de bergvolken, vaak versplinterd als gevolg van landverhuizingn en discriminatie.
Het museum bestaat uit vier lemen huizen en twee bamboe hutten, gebouwd door leden van de bergstammen. Ze vertellen het echte verhaal over de geschiedenis van deze volkeren en laten zien hoe de bewoners van de dorpen vroeger leefden. Het museum is elke dag geopend; de toegang bedraagt ruim 40 eurocent.
In feite is sprake van 2 musea, want op internet hebben de initiatiefnemers, met steun van de non-gouvernementele organisatie The Mirror Foundation en de Rockefeller Foundation een website geopend die een virtueel licht werpt op leven en welzijn van de bergstammen.
Voor meer informatie kijk op: www.hilltribe.org
De
Lahu leven in de bergachtige gebieden van China, Birma, Laos en Noord-Thailand.
Er leven nu ongeveer 25.000 Lahu in Thailand. Binnen de Lahu onderscheiden
we 4 stammen: de zwarte, rode, gele en She-Leh Lahu. De Lahu-dorpen vinden
we meestal op grote hoogte in de noordelijke provincies Chiang
Mai, Chiang
Rai en Mae Hong Son.
Hun oorsprong ligt in Zuid-West China. Lahu-huizen zijn gebouwd op hoge
palen, met wanden van bamboe en planken. De daken zijn gedekt met gras.
Een ladder leidt naar een open centrale ruimte, met aan één
kant de voorraadkamer en aan de andere kant de woonvertrekken. Dieren zoals
kippen, varkens en buffels lopen binnen een omheining op de begane grond.
De landbouw op basis van 'slash and burn' brengt niet genoeg op om zelfs
maar in de eerste levensbehoeften te voorzien. Volwassenen en kinderen moeten
vele zaken grotendeels ontberen zoals onderwijs, medische verzorging en
alle gemakken van het moderne leven.Lahu-vrouwen zijn bekwaam in het weven van stoffen en het maken van zeer fijne lapjesstof (ook voor jasjes) en opvallend borduurwerk. Vrouwen van de zwarte Lahu dragen de mooiste klederdracht van alle Lahu-stammen: een zwarte mantel met diagonale, roomkleurige strepen. De bovenkant van de mouwen is versierd met fel rode of gele kleuren. De rode Lahu-vrouwen dragen zwarte, met wit afgezette broeken. De mouwen zijn lichtgekleurd, met brede rode en blauwe strepen. Alle andere Lahu-stammen hebben hun traditionele dracht vaak aangevuld met een gewoon Thais shirt of sarong. Zowel mannen als vrouwen zijn vaardig in het maken van de mooiste manden die je maar in Thailand kunt vinden. Lahu-mannen maken verder nog kruisbogen, muziekinstrumenten en andere voorwerpen van hout, bamboe of rotan.
De Lahu zijn animisten en geloven in één geest die alle andere geesten controleert en overheerst. Ongeveer 30 procent van de Lahu heeft door het aannemen van het christelijk geloof de traditionele levenswijze opgegeven. De Lahu zijn onafhankelijke mensen, die houden van een ongecompliceerde manier van leven. Ze zijn trots op hun vaardigheden zoals het zetten van strikken en staan bekend als uitstekende jagers.
Het
woongebied van de Yao strekt zich uit over China, Vietnam, Laos en Thailand.
In Noord-Thailand wordt het aantal Yao geschat op maximaal 55.000, verspreid
over de provincies Phayao, Nan en Chiang Rai. Bovendien leven nog 10.000
Yao-vluchtelingen in kampen langs de Laotiaanse grens. De Yao komen oorspronkelijk uit Zuid-China en zijn de enige bergstam met een geschreven taal. Yao-dorpen bevinden zich meestal op de lagere heuvels. Hun van planken gemaakte huizen liggen vaak aan een modderige weg. Voor bezoekers beschikt elk Yao dorp wel over een gastenverblijf van bamboe. Al generaties lang is de economie grotendeels gebaseerd op het verbouwen en verhandelen van opium. Opiumverslaving onder de Yao zelf komt echter zelden voor. Door de campagne van de Thaise overheid om het verbouwen van opium uit te bannen, moeten Yao omzien naar andere middelen van bestaan.
Yao-vrouwen staan bekend om hun schitterende kruissteek-borduurkunst, die de traditionele kleding siert. De kleding is opvallend: een lange zwarte jas, afgezet met wollen scharlaken (rode) revers, met daaronder een ruimvallende broek met ingewikkelde patronen. Op het hoofd een met borduurwerk versierde zwarte tulband. De Yao-zilversmeden produceren mooie sieraden van hoge kwaliteit.
De Yao hebben een religie, gebaseerd op het middeleeuwse Chinese taoïsme. De laatste jaren zijn echter velen bekeerd tot het boeddhisme en het christendom. De Yao zijn vredige, vriendelijke mensen, trots op hun afstamming en cultuur.
Ondanks
dat het overgrote deel van de Karen in Birma leeft, zijn ze toch veruit
de grootste bergstam van Noord-Thailand. Er leven 280.000 Karen in Thailand,
zowel in de laagvlaktes als in de bergen van de provincies Chiang Mai, Mae
Hong Son en Chiang Rai. Hun woongebied strekt zich ook uit tot ver in Centraal-Thailand.
Karen leven in paalwoningen van bamboe. Hieronder scharrelen hun huisdieren,
varkens, kippen en buffels. De Berg-Karen beoefenen ruillandbouw; de Laagvlakte-Karen
houden zich grotendeels bezig met de verbouw van rijst. Karen vrouw
Karen-vrouwen staan bekend om hun weefkunst én vaardigheid op het weefgetouw. Elke substam van deze grote etnische groepering heeft zijn eigen specifieke klederdracht. Ongetrouwde meisjes dragen wijde witte bloezen met v-halsen. Getrouwde vrouwen dragen bloezen en rokken in felle kleuren, maar overwegend blauw en rood. Karen-mannen vervaardigen muziekinstrumenten, unieke tabakspijpen en talloze andere voorwerpen.

Karen zijn van oorsprong animisten, maar inmiddels is een kwart van de in Thailand
levende Karen bekeerd tot het christendom.
Het Karenvolk is vredig en behulpzaam. Evenals veel andere bergvolkeren aanbidden
ze hun voorvaderen en hebben ze diep respect voor hun nog levende ouders.
De
Hmong zijn te verdelen in 2 subgroepen, Witte en Blauwe Hmong. Zij leven
in de bergachtige gebieden van China, Vietnam, Laos en Thailand. In Thailand
leven ongeveer 60.000 Hmong, verspreidt over het hele noorden. Daarnaast
leven 50.000 Hmong uit Laos in vluchtelingenkampen langs de noordoostelijke
grens van het land. Deze etnische groep stamt oorspronkelijk uit West-China.
The Hmong-huizen staan, in tegenstelling tot die van vele andere stammen,
niet op palen. De woonverdieping ligt echter iets hoger, daaronder bevindt
zich een soort souterrain of kelder voor voedselopslag. Al zeer lang houden
de Hmong zich grotendeels in leven door de verbouw van papaver voor opium.
Langzaam (onder druk van de Thaise regering) proberen ze de teelt de rug
toe te keren en leggen ze zich steeds meer toe op het promoten en de verkoop
van hun schitterend en vakkundig naaiwerk als aanvulling op het inkomen.
Van oudsher maken Hmong-vrouwen uit katoen en hennep kleren voor de hele
familie. De kleren van de Hmong zijn rijkelijk versierd met schitterend
borduurwerk en zilveren sieraden. Blauwe Hmong vrouwen dragen mooie geplooide
rokken met rode, blauwe en witte strepen, voorzien van ingewikkeld, wit
borduurwerk. Mantels of jasjes zijn van zwart satijn, met brede oranje
en geel geborduurde manchetten en revers. Witte Hmong-vrouwen dragen zwarte
flodderige broeken met een lange en brede blauwe cummerbund ( band, sjerp).
De jasjes zijn simpel, met blauwe manchetten. Hmong mannen maken kruisbogen,
muziekinstrumenten, en ander voorwerpen van hout, bamboe en rotan. Veel
mannen beheersen ook het vak van smid en geweermaker.
The Hmong zijn strikte animisten (vereren van geesten). Sjamanen gebruiken
indrukwekkende ceremonies om met die geesten in contact te komen. De Hmong
zijn het minst geneigd om zich te laten bekeren tot het boeddhisme of
christendom.
De Hmong zijn ijverige en onafhankelijke mensen, trots op het dragen van
hun zilveren versierselen gedurende plechtigheden en zeer trouw en toegewijd
aan de hemelgeest van wie ze geloven dat deze de schepper is van hun zeer
oude levenswijze.
Dorpen
en nederzettingen van deze kleurrijke etnische groepering vinden we in de
bergen van China, Birma en het noorden van Thailand. Er leven hooguit 21.000
Lisu in Thailands noordelijke provincies Chiang Mai, Mae Hong Son en Chiang
Rai. Hun oorspronkelijke woongebied is het oosten van Tibet. De huizen van
de Lisu staan niet op palen. De verharde vloeren zijn meestal nogal vies,
de wanden van bamboe. Evenals de Hmong (Meo) houden de Lisu zich al generaties
hoofdzakelijk bezig met de papaverteelt (opium). Veel Lisu zijn inmiddels
overgeschakeld op de het vervaardigen en verkopen van handwerk.
De Lisu maken hun kleren uit vrolijk gekleurde stoffen, die ze nog eens extra
versieren met talloze, eveneens bont gekleurde, reepjes stof. Vooral vrouwen
dragen deze levendige kleren, bestaande uit een gedeeltelijk blauw of groen
jasje op knielengte met een brede zwarte ceintuur en meestal een blauwe of groene
lange broek. Mouwen, schouderstukken en broekomslagen zijn bestikt en verfraaid
met smalle horizontale rode, gele en blauwe strepen. De meer welgestelde Lisu-vrouwen
dragen aanzienlijke hoeveelheden zware, handgemaakte zilveren sieraden, vooral
bij speciale gelegenheden.
Lisu-mannen maken muziekinstrumenten, vogel- en wildvallen en andere voorwerpen
van hout, bamboe en rotan.

Slechts enkele Lisu zijn bekeerd tot het christendom. Het overgrote deel gelooft sterk in de geestenwereld (animisme). Hun Sjamanen kunnen gebeurtenissen en ziektes voorzien en zieken genezen. Van alle minderheden zijn de Lisu degenen die zich over het algemeen het best aan de snel veranderende maatschappij aanpassen. Ze zijn niet verlegen of teruggetrokken zoals veel andere bergstammen en zien er qua uiterlijk ook goed uit. Hierdoor voelen Lisu zichzelf vaak ietwat verheven boven de andere bergstammen.
Nederzettingen
en dorpen van dit kleurrijke volk vinden we eveneens in China, Laos, Birma
en Noord-Thailand. Er leven hooguit 20.000 Akha (op vrij grote hoogte) in
de noordelijke provincies van Thailand. De Akha hebben hun wortels in Tibet.
Hun dorpen zijn herkenbaar aan de prachtige uit hout gesneden toegangspoorten
waarover gewaakt wordt door beschermheiligen (geesten). Ze leven in vrij hoge huizen op lage palen, met een grote entree die leidt naar een vierkante leefruimte, voorzien van een kachel. De daken zijn spits maar lopen schuin af. De Akha leven van stukken onbeduidende landbouwgrond volgens de 'slash and burn'-methode. Op deze wijze is het voor hen zeer moeilijk om een noemenswaardig bestaan op te bouwen. Tegenwoordig vullen veel Akha het inkomen aan door het traditionele handwerk (kleren en gebruiksvoorwerpen) te verkopen aan toeristen.
Akha
vrouwen spinnen draad uit katoen met een handspoel. Daarna weven ze de katoen
op een met de voet aangedreven weefgetouw. De stof wordt vervolgens geverfd
met indigo en gebruikt voor het kleden van de hele familie. Vrouwen dragen
brede broeken, een korte zwarte rok, daarop een wit met kralen versierd
tasje en een los zwart jasje met geborduurde manchetten en revers. De zwarte
mutsen zijn versierd met zilveren munten. Zowel Akha vrouwen als mannen
vervaardigen uiteenlopende fraaie voorwerpen van bamboe en hout. Zo maken
mannen kruisbogen en muziekinstrumenten. Vrouwen zijn handig in het vlechten
van manden. Akha zijn bijgelovig. Dat schrijft precies voor hoe en wanneer ze bepaalde rituelen moeten uitvoeren. De Akha behoren tot de armste bergstammen, maar zijn gewaardeerd om hun fraaie kledingdracht en exotisch voorkomen.

Lawa meisjes, Noord-Thailand.
De Lawa worden niet echt tot de bergstammen gerekend, maar mogen in dit overzicht
toch niet ontbreken. Zij wonen al sinds de 8e eeuw in Thailand, eerder nog dan
de Thai zelf. Algemeen wordt aangenomen dat ze vanuit Cambodja zijn gemigreerd.
Sommige archeologen beweren zelfs dat ze oorspronkelijk uit Micronesië
afkomstig zijn en 2000 jaar geleden naar Azië zijn gekomen. Door het lange
verblijf en samenwonen met en tussen de Thai zijn veel Lawa dorpen niet meer
te onderscheiden van een doorsnee Thais dorp. De meeste Lawa gebruiken het Thai
dan ook als hoofdtaal.
Alleen op het Bo Luang plateau tussen Hot and Mae Sariang en in het zuiden van
de provincie Mae Hong Son leven nog ca. 14.000 Lawa, afgezonderd en volgens
de eigen oude tradities.
Hun economie is gebaseerd op landbouw voor eigen gebruik en bestaat voornamelijk
uit rijstbouw volgens het wisselsysteem (wisselbouw).
Ongetrouwde Lawa meisjes dragen wijde witte bloezen afgezet met roze kanten.
Om hun nek dragen ze opvallende kralen halssnoeren. Na het huwelijk wordt deze
kleurrijke outfit vervangen door een wat soberder, lange licht geelbruine jurk,
maar de kralen halssnoeren blijven.
Hoewel van oorsprong animisten hebben veel Lawa inmiddels het boeddhistisch
geloof aangenomen.
Khamu
jeugd De Khamu behoren tot de kleinere bergstammen. Ze leven grotendeels langs de Thais-Laotiaanse grens in de provincie Nan. Momenteel wordt hun aantal in Noord-Thailand geschat tussen 7.000 en 10.000.
Hun thuisland is Laos en dan nog hoofdzakelijk de districten Luang Prabang en Xieng Khoung. Zij kwamen vooral naar Thailand om als arbeidskrachten in de bosbouw (teakhout) te werken. Na afloop van hun contracten kozen de meeste voor een permanent verblijf in Thailand en keerden niet naar Laos terug. De Khamu kan men vinden in de provincies Nan, Lampang en Kanchanaburi
Ze leven vooral in kleine, op heuvelruggen gelegen dorpen en houden zich in leven met wat landbouw, aangevuld met jagen, vissen en handel.
De Khamu hangen het animisme aan. In hun moederland worden hun geestelijke leiders (sjamanen) beschouwd als begaafde genezers, die vaak deelnemen aan Laotiaanse ceremonies.
"Mlabri"
betekent letterlijk 'mensen uit het woud'. Deze stam wordt door de Thai
'Phi Tong Luang' genoemd, of wel 'de geesten van de gele bladeren'. Plaatselijke
Thai beschouwen hen als geesten, omdat ze diep in de jungle van Thailand
leven en zelden gezien worden. De bladeren van de bananenboom gebruiken
zij om hun onderkomens af te dekken. Als deze bladeren na twee weken geel
worden, verhuizen ze naar een andere plek in het oerwoud. Het zijn verzamelaars
en jagers die leven in zeer klein gezinsverband. Er leven nog maar enkele Mlabri in Thailand voornamelijk in de provincies Nan en Phrae. Volgens gegevens uit 1998 zouden er 125 Mlabri in Nan en 102 Mlabri in de provincie Phrae wonen. Andere bronnen melden dat er nog maar 100 tot 200 Mlabri in geheel Azië leven. Deze bronnen schatten hun aantal in Thailand op ongeveer 100. Oorspronkelijk komen de Mlabri uit Laos.
Door de voortschrijdende houtkap en ontginning van grond voor de landbouw is hun natuurlijk leefgebied (de jungle) ernstig aangetast. Hierdoor is het voor de Mlabri bijna onmogelijk om hun bestaan als nomadische verzamelaars en jagers te handhaven. Tegenwoordig zijn ze dan ook velen genoodzaakt om als landarbeider te werken voor andere bergstammen in ruil voor wat eten en (oude) kleding. Hun geloof verbiedt hen om zelf land in bezit te hebben. Niet alleen de inkrimping van hun woongebied bedreigen de Mlabri maar ook ziektes en het gebruik van pesticiden (bestrijdingsmiddelen). De toekomst van de Mlabri is niet rooskleurig en men moet vrezen voor het voortbestaan van deze mensen.
![]() |
![]() |
Gebonden aan hun geloofsovertuiging en door de snel veranderende wereld om hen heen zijn de Mlabri gedwongen hun onafhankelijke bestaan in de jungle op te geven en verder te leven in slavernij.
Van alle etnische groeperingen zijn de Thins één van de langst aanwezige bergstammen in Thailand. Er leven ongeveer 28.000 Thins in Noord-Thailand. Zij wonen grotendeels in de provincie Nan. Hun huizen zijn gebouwd op palen en hebben bamboe vloeren en wanden.
De Thins praktiseren ruillandbouw. Zij verbouwen plak- of kleefrijst, het hoofdvoedsel van de Thai in Noord-Thailand.
Ze zijn animistisch. Sommige Thins die nabij Thaise dorpen leven in het laagland, zijn bekeerd tot het boeddhisme.
Leden van deze bergstam zijn monogaam. Na een huwelijk trekt het nieuwe echtpaar meestal in bij een van de ouders. Pas na de geboorte van meerdere kinderen verhuizen ze naar een eigen huis.
Palong
vrouwEr zijn maar een paar Palong-dorpen in Thailand, allemaal in het noorden van de provincie Chiang Mai langs de grens met Birma. Verder leven de Palong voornamelijk in het oostelijke deel van Birma (Shan-gebied). Momenteel bedraagt hun aantal ongeveer 60.000. Ze behoren tot de Mon-Khmer tak van de Austro-Aziatische taalfamilie.
Hun voornaamste middel van bestaan is de verbouw van tanatep, een groot blad waarvan de markante Birmese sigaren gedraaid worden. Zowel mannen als vrouwen versieren hun tanden met goud.
De Palong zijn gemakkelijk te herkennen aan de opvallende klederdracht van hun vrouwen, rode gewaden (sarongs) met daarop een blauw jasje met rode kraag en om het middel een brede zilveren band. Waren ze vroeger animisten, tegenwoordig zijn de meeste Palongs bekeerd tot het boeddhisme








